Snel resultaat, maar nog geen balans
Zodra een nieuwe geul is aangelegd, reageert de natuur meteen: pioniersoorten vinden al snel hun weg naar het kale terrein. Maar die eerste reactie is nog geen echt herstel. “Het stabiliseert zich, en het wordt steeds soortenrijker omdat meer soorten een plekje vinden,” legt Roland uit. Na ongeveer tien jaar piekt die ontwikkeling, waarna het weer wat afneemt doordat de geul dichtslibt. “Dat hoort bij de natuurlijke dynamiek van de rivier.”
Dat geduld is een bewuste keuze. Rijkswaterstaat grijpt niet meteen in als de natuur zich anders ontwikkelt dan verwacht, bijvoorbeeld na een warme zomer. Uit onderzoek blijkt dat de omgeving vanzelf weer kan herstellen. “We weten dat er een bepaald optimum is, dus we willen niet te snel ingrijpen." Pas als een geul zijn functie echt verliest, volgt gericht onderhoud en begint het proces opnieuw.
Met een sleepnet onderzoekt Rijkswaterstaat de visstand in de Nederrijn bij Arnhem.
Rivierhout als lokaal succes
Niet elke maatregel heeft evenveel effect, en dat levert waardevolle inzichten op. Rivierhout trekt lokaal snel bijzondere soorten aan; om verbetering te zien over een langere afstand blijkt meer volume nodig dan eerder gedacht. “Je denkt: we leggen vierhonderd bomen aan, dat redt het wel,” vertelt Roland. “Maar we zien nu dat je meer robuustheid nodig hebt. In plaats van één boom op een kilometer, leg je er misschien wel tien neer.” Ook die kennis wordt meegenomen in nieuwe projecten.
Zenders en maatlatten
Jaarlijkse metingen met netten geven een goed algemeen beeld, maar vertellen niet altijd hoe soorten zich gedragen. Daarom loopt er onder andere bij de Langsdammen bij Tiel gerichter onderzoek: een collega ecoloog volgt daar een oevergeul waar barbelen en een aantal andere vissoorten een zendertje van een paar centimeter krijgen. “Die draagt de vis gewoon zijn hele leven mee, zonder problemen.” Via onderwaterontvangers wordt vastgelegd waar de vissen zich ophouden. Op de Nederrijn loopt vergelijkbaar onderzoek naar zeeforel en andere riviersoorten die via vistrappen Duitsland proberen te bereiken.
Onder verdoving wordt een kleine zender ingebracht. Zo kunnen onderzoekers volgen hoe vissen zich door de rivier bewegen.
Om te bepalen of natuurherstel effectief is, gebruikt Rijkswaterstaat sinds 2000 vaste beoordelingscriteria, de zogeheten maatlatten. “We zouden graag zien dat die maatlatten periodiek verfijnd worden: zo kan bijvoorbeeld het houtspookje, een insect dat graag op rivierhout zit, daarin een plek krijgen.”
Klimaat en andere veranderingen
Rivierherstel gebeurt niet in een gecontroleerde omgeving, en Rijkswaterstaat houdt daar rekening mee. “Natuur is soms moeilijk te voorspellen”, zegt Roland. Opeenvolgende warme, droge jaren laten wateren droogvallen; tijdens de laatste hittegolf werden watertemperaturen tot 29,5 graad gemeten. “Sommige soorten, zoals zalm, kunnen daar slecht tegen. Andere profiteren juist.” Ook exotische diersoorten hebben een aandeel in de macrofauna: tussen de 75 en 95 procent is van uitheemse oorsprong. Daarnaast wordt scherp gelet op nieuwe stoffen zoals PFAS. “Het zijn allemaal van die stapeleffectjes die bij elkaar best een groot effect kunnen hebben. Die ontwikkelingen volgen we nauwlettend.”
Vooruitgang die zichtbaar wordt
En dat werpt vruchten af. Vissoorten als de houting en de elft zijn terug, de bever komt weer massaal voor. En vorig jaar werd toevallig een zeer zeldzame beekkever aangetroffen, midden in de Waal. “We waren er niet eens naar op zoek. Dat is hoopvol.”
Ecoloog Roland van Aalderen met een gezenderde houting bij Stuwcomplex Hagestein
Aan lezers die vaker langs de rivier komen, geeft Roland een simpele boodschap mee: “Kijk en geniet. Die onderwaternatuur is zo bijzonder. Misschien zie je het niet direct, maar de vogels en de begroeiing langs de oevers zijn er wél het bewijs van.”